Dakplaten montagehandleiding

Met onze dakplatenmontagehandleiding helpen we u met behulp van enkele stappen en tips bij het zelfstandig monteren van uw dakplaten. Allereerst geven we u enkele verwerkingsvoorschriften waar u rekening mee kunt houden en vervolgens leggen we in 3 stappen uit hoe u de dakplaten kunt monteren. Heeft u na het lezen van de montagehandleiding nog vragen? Neem dan gerust contact met ons op!

Verwerkingsvoorschriften dakplaten montage

Opslag

De dakplaten kunnen tijdelijk buiten opgeslagen worden (maximaal één maand). Zorg dan wel dat de platen afgedekt zijn, maar ook dat er voldoende ventilatie is tussen de platen.

Dakhelling

De minimum dakhelling voor de dakplaten bedraagt 8°.

Verwerking

De dakplaten worden op maat geleverd. Indien er versneden moet worden, moet men een knabbelschaar of metaalzaag met fijne tanden gebruiken. Het gebruik van slijpschijven of ander gereedschap met hoge slijpsnelheid is af te raden, omdat de slijpranden gaan gloeien en daarmee de verzinking en de coating van de platen kunnen beschadigen. Gloeiende metaaldeeltjes vliegen rond en branden in de beschermlagen van uw plaat.

Nalakken

Elke beschadiging aan de oppervlaktelaag dient onmiddellijk met reparatieverf nagelakt te worden.

Reiniging

Alle boorvijsel en boorresten dienen zorgvuldig met een zachte borstel verwijderd te worden.

Betreding

Betreed de platen tijdens het bevestigingsproces steeds in het holle gedeelte van de golf. Hiermee oefent u minder druk uit en voorkomt u beschadiging.

Dakplaten monteren in 3 stappen

Maten bepalen

De eerste stap is het bepalen van de maten van de dakpanplaten. Wij geven u altijd de tip om het dak uit te tekenen op grafisch papier, waarmee u het uzelf veel makkelijker maakt om te berekenen hoeveel vierkante meters aan dakplaten u uiteindelijk nodig zult hebben. Houd hierbij rekening met de volgende aandachtspunten:

  • De minimale hellingshoek van uw dak moet 8° zijn. Hiermee voorkomt u dat water onder de platen op kan stuwen. Zorg daarnaast voor voldoende overlap van de dakplaten (vooral bij een lage hellingshoek), zodat ook hiermee opstuwing van water voorkomen wordt.
  • Zorg ervoor dat u ongeveer 40-60 mm ruimte overlaat waar de platen bij elkaar komen (in de nok), zodat er een goede ventilatie kan ontstaan. Hiermee voorkomt u ongewenste vochtvorming.
  • Laat de dakpanplaten ongeveer 20-40 mm uitsteken buiten de dakrand. Hierdoor kan het water gemakkelijk in de goot terecht komen en is ook de dakrand beschermd tegen water en vochtvorming.
  • De platen kunnen op maat worden geleverd.
afmetingen montage dak

Afbeelding 1: Maten om rekening mee te houden

Lengte bepalen

Meet de afstand tussen de bovenste en de onderste dakrand. Voeg hier de nodige afstand aan toe, zodat de dakplaten buiten de onderste dakrand uitkomen in de goot. Zorg hierbij voor een gootoverhang van ongeveer 20-40 mm. De totale lengte die u nodig heeft wordt dan dus bepaald door de lengte van uw dak, plus de gootoverhang.

Is de te bedekken lengte langer dan de maximale dakplaatlengte? Maak dan gebruik van twee plaatstroken in de lengte en houd hierbij rekening met een overlap van 200 mm.

Overlap van dakplaten

Afbeelding 2: Overlap dakplaten

Voorbeeld:
Stel dat de totale lengte van uw dak 10 meter (10000 mm) is. Voor een maximale stevigheid raden wij u aan om te streven naar twee bijna gelijke lengtes. Om de lengte van de onderste plaat te berekenen kiest u dan een veelvoud van 350 mm uit tot deze over de helft van de totale lengte uitkomt. In dit geval kunt u dan een lengte kiezen van 15 pannen x 350 mm + 200 mm overlapping = 5450 mm (5,45 m). De lengte van de hogerop liggende plaat kan dan gemakkelijk bepaald worden door de plaatlengte van de onderste plaat van de totale lengte af te trekken en de overlapping er bij te voegen: 10000 mm – 5450 mm + 200 mm = 4750 mm (4,75 m).

Breedte bepalen

De werkbreedte van onze dakpanprofielplaten is 1100 mm (plaatbreedte: 1200 mm; overlap: 100 mm). Het aantal benodigde platen kan gemakkelijk bepaald worden door de te bedekken breedte te delen door de werkbreedte van de platen. Bij een dakvlak met een breedte van 15 m heeft u dus 14 platen nodig (15000 mm / 1100 mm).

Breedtebepaling dakplaten

Afbeelding 3: Breedte bepalen

Helling bepalen

Om te bepalen of de helling van uw dak voldoet aan de minimale waarde van 8 graden, kunt u deze als volgt opmeten:

  1. Meet de lengte van uw waterpas op. Plaats vervolgens de waterpas op plaats ‘A’ in een rechte lijn.
  2. Meet vervolgens de afstand vanaf uw waterpas naar het dakbeschot ‘B’.
  3. Om de helling  te bepalen neemt u de waardes van A en B en rekent u ze vervolgens uit:
    hellingshoek = overstaande zijde (A) / aanliggende zijde (B)
  4. Vervolgens berekent u de hoek met behulp van tangens: tan∠AB = A / B
Hellingshoek berekenen

Afbeelding 4: Hellingshoek bepalen

Voorbeelden

Dak met noordboomkap
Maak bij een noordboomdak een plan op schaal van elk dakvlak om het aantal platen en de maten hiervan te bepalen. In de afbeelding is de tekening links een vooraanzicht van een korte zijde en de tekening rechts is een vooraanzicht van een lange zijde.

Dak noordboomkap

Dak met twee verschillende lengtes in één dakvlak
Bij een dak met twee verschillende lengtes in één dakvlak moet eerst de lengte van het breedste dakvlak genomen worden (vlak A). Nadat u deze lengte heeft vastgelegd kunt u de benodigde plaatlengte voor vlak B berekenen. U moet hiervoor een veelvoud van 350mm (lengte van een ‘dakpan’) toevoegen aan de lengte van vlak A. Ga bij het bepalen van de veelvoud door tot de platen over de onderste dakrand van vlak B komen. Deze platen kunt u later met aangepast gereedschap inkorten. Met deze methode wordt het aantal in te korten platen tot het smalste dakvlak beperkt, waardoor u minder ‘afval’ creëert en dus voordeliger uit bent.

dak met verschillende lengtes

Monteren en bevestigen

De montage van de dakplaten moet van onder naar boven en van rechts naar links gebeuren. Plaats dus altijd de eerste plaat in de hoek rechtsonder en werk vervolgens eerst de lengte af (de platen erboven) voordat u verder werkt in de breedte.

Controleer voordat u begint met het monteren van de platen of het dak haaks is. Dit kunt u bepalen door de diagonalen van hoek tot hoek te meten. Wanneer deze afmetingen gelijk zijn is het dak haaks. Zijn deze afmetingen verschillend, dan is het dak niet haaks. In dat geval moet de eerste plaat zo worden gelegd dat de onderkant van de plaat de onderste dakrand volgt. Kleine afwijkingen die dan volgen kunnen worden opgevangen door de windveren en de nokpannen.

Schroeven bevestigen in de dalen

Afbeelding 1: Schroeven in de dalen

De dakpanplaten kunnen nu stuk voor stuk op de panlatten worden gemonteerd. Nogmaals: houd rekening met de volgorde (van onder naar boven en van rechts naar links). Gebruik voor de bevestiging zelfborende schroeven van 4.8 x 35 mm, verzinkt en gelakt in de kleur van de platen. De schroeven moeten worden geplaatst in de dalen (zie afbeelding 1) van de van de dakpannen, net onder de horizontale lijn van de dakpanpersing. Zorg ervoor dat de platen bij zowel de nokrand als de gootrand in elk dal worden vastgeschroefd. In het ‘middengedeelte’ van de platen kunt u de schroeven in een kruisingsverband bevestigen (zie afbeelding 2). Houd hierbij een gemiddelde aan van 8 schroeven per vierkante meter.

Kruisingsverband schroeven

Afbeelding 2: Plaatsing van de schroeven in kruisingsverband

Om de platen aan elkaar te bevestigen gebruikt u dezelfde schroeven. Deze plaatst u dan op de golven, wederom net onder de horizontale lijn van de dakpanpersing. Zorg er bij het schroeven altijd voor dat u ze niet te vast, maar ook niet te los aandraait (zie afbeelding 3). Als u ze te vast draait, kunt u de platen beschadigen en als u ze te los monteert, behaalt u niet de maximale stevigheid. De ring die aan de schroeven zit moet hierbij goed op de platen aansluiten.

Correcte bevestiging van de schroeven

Afbeelding 3: Schroeven niet te vast of te los

Tip!

Verwijder direct na het boren al het boorvijsel en overige boorresten met een zachte borstel. Zo voorkomt u dat deze deeltjes gaan roesten en de platen beschadigen. Eventueel vuil dat zich na verloop van tijd op de platen verzamelt kunt u gewoon met water afspuiten. Gebruik hierbij geen agressieve schoonmaakmiddelen, omdat deze de coating kunnen beschadigen. Neem contact met ons op voor advies.

Monteren van de hulpstukken

Gootslab of muurplaatafwerking

Voor de afwerking van de dakrand of goot kunt u gebruik maken van een muurplaatafwerking en dichtingsprofielen. Met het eerste maakt u een afwerkende verbinding tussen de dakpanprofielplaten en de muur waar het dak op rust. Met het tweede zorgt u voor een tochtdichting door de dichtingsprofielen tussen de gootslab en de profielplaten aan te brengen.

Vlakke platen en hoeken

Vlakke platen van 1250 op 2000 mm, evenals diverse hoeken op maat geplooid, zijn verkrijgbaar in dezelfde kleuren als de platen.

Nokpannen en -platen

Op de plekken waar verschillende dakvlakken bij elkaar komen, moeten nokken worden geplaatst. Plaats deze altijd, zodat u een optimale constructie behaalt aangaande isolatie en vocht. Gebruik eventueel een vulstrook om de ruimte tussen de nok en de dakpanplaten op te vullen. Bij de ronde nokken is het mogelijk om een eindkap te bestellen om deze perfect af te werken.

Vulstroken

Vulstroken kunt u gebruiken om de ruimtes tussen de dakpanplaten en het zetwerk op te vullen. Ze worden daarom ook wel profielvullers, opvulprofielen en dichtingsprofielen genoemd. De vulstroken zijn beschikbaar in verschillende profielen:

  • Positief profiel: voor een afdichting tussen de muurplaten en de dakpanplaten;
  • Negatief profiel: voor een afdichting tussen de nokken en de dakpanplaten.

Het is niet altijd nodig om met vulstroken te werken. In sommige gevallen belemmert u namelijk de noodzakelijke ventilatie. Ga dus eerst goed na of u de ruimtes op wilt vullen voor u de stroken monteert.

Noksluitstuk

Het noksluitstuk wordt aan de uiteinden geplaatst en vastgeschroefd. De naden worden afgedicht met een siliconenkit.

Windveren

De randen van de zijgevels moeten afgewerkt worden met windveren (ook wel randslabben genoemd). Door deze te bevestigen zorgt u ervoor dat er geen wind en/of regen onder de dakbedekking kan komen. De windveren zijn in dezelfde kleuren verkrijgbaar als uw dakpanplaten. Wanneer de zijgevels van uw dak hoger zijn dan uw dak zelf, is het plaatsen van windveren niet nodig, hoewel dit bijna niet meer voorkomt. Gebruik eventueel een vulstrook om de ruimte tussen de dakpanplaten en de windveren op de vullen.

Kilgoten

Daken die in de breedte een L-vorm hebben, moeten in de rand waar de twee dakvlakken bij elkaar komen worden opgevuld met kilgoten. Deze moeten onder de dakpanplaten worden gemonteerd, zodat al het water dat van de dakpanplaten valt in de kilgoten terecht komt en via deze weg naar de dakgoten wordt geleid. Zorg bij de montage van de kilgoten voor een minimale overlap van 15 cm.

Pijpdoorvoeren ‘Pipeco’

Cilindervormige pijpdoorvoeren garanderen een waterdichte verbinding op plaatsen waar rook of damp door het dakoppervlak moet komen. Ze zijn gemaakt van Epdm-rubber. In de pijpdoorvoer wordt een gat kleiner dan de buitendiameter van de buis gemaakt. De doorvoer wordt over de buis getrokken en afgedicht. De Pipeco wordt met zelfborende schroeven door de vervormbare aluminiumwand vastgeschroefd na een dichtingskit te hebben aangebracht.

Vragen?

Heeft u vragen over het monteren van dakpanplaten? Heeft u advies nodig voor uw situatie en over de verschillende mogelijkheden? Neem dan gerust eens contact met ons op. Dan helpen wij u graag verder!